Over de bestrijding van plagen door de Romeinse boeren

De gewassen en het vee werden in de Romeinse tijd geteisterd door ziekten en plagen. De lage opbrengsten van granen wijzen op allerlei ziekten en plagen, die vaak hongersnoden veroorzaakten. Zo spreekt Vergilius over eem kwade brand, die aan de halmen van het koren vrat. Tegenwoordig weten dat het hier om roestschimmels gaat, die als het ware een rode gloed over het graan kunnen leggen.

De Romeinen kenden vele huismiddeltjes om ziekten en plagen te bestrijden maar verzochten vooral de Goden door offers en rituelen hen gunstig te stemmen voor een goede oogst. De Romeinse bestrijding van ziekten en plagen is een aparte combinatie van huismiddelen, die in de ervaring hun waarde bewezen hadden, en van magie.

De moderne chemie heeft de hedendaagse boer echter veel meer mogelijkheden geboden om ziekten en plagen te bestrijden. Voor elke schimmel en schadelijk insect, die een bedreiging vormen voor onze veestapel en gewassen, bestaat wel tegenwoordig een chemisch middel.

Rituelen

De Romeinse boeren kenden - zoals gezegd - verschillende rituelen en offerfeesten om een goede oogst of een goede gezondheid van hun vee af te smeken. De offerfeesten waren bij de Romeinen waren niet alleen bedoeld om de goden gunstig te stemmen, maar tegelijkertijd een goede gelegenheid om eens flink bij te eten.
Cato adviseerde om eens per jaar ter ere van Mars Silvanus voor ieder rund drie libra tweekoren, vier en een halve libra spek, vier en een halve libra vlees en drie sextarius wijn te offeren en dit na de offerhandeling direct op te eten. Bij een veestapel van 50 runderen berekenen we dan vrij eenvoudig dat er voor ruim 200 gasten meer dan genoeg was om te eten en te drinken.

Plagen bij vee

Vee was een belangrijk bezit voor de Romeinse boer, het leverde melk, arbeid om ploegen te trekken, mest voor de akkers en natuurlijk vlees. De meeste Romeinse schrijvers besteden daarom veel aandacht aan veeziekten, die als er niet goed werd geboerd, complete veestapels konden uitroeien. Bij Vergilius (Georgica) vinden we de beschrijving van een rampspoed, die een streek kon treffen.

"Een schaap, dat ge van verre al te vaak de schaduw
ziet zoeken, dat met lange tanden het gras vreet
en achteraan komt, dat alleen, diep in de avond, afzwerft -
zo'n kwade plek moet dadelijk uitgesneden, voordat
besmetting moordend sluipt in de argeloze kudde.
Veelvuldiger dan vlagen op zee bij naderend stormweer
valt ziekte op het vee. En de besmetting teistert
niet beest voor beest, maar grijpt de hele zomerweide
ineens - het lam, het schaap, heel 't volk tot aan de wortel.
Hier heerst eenmaal ziekte in de lucht - afschuwelijk
werd de atmosfeer, heel 't warme najaar bleeft het gisten;
elk dier moest sterven - op de weide, in de bossen;
het water werd besmet, aan 't grasland vrat de schimmel."

En even verderop:

"Strompelend, verraden in zijn vreugden, taalt het prijsros
niet naar het gras of 't frisse water meer; zijn hoef bonkt
onrustig neer, de oren liggen plat; bezweet rilt
het lijf - kil als de doodsstrijd komen gaat en dor is
de huid, die bij 't aanraken hard voelt en weerspannig."

Veeziekten konden een hele streek ruïneren. Het roept herinneringen op aan de uitbraken van varkenspest en mond- en klauwzeer uit het recente verleden. Vergilius weet er geen goed raad mee. In die zin zijn we de afgelopen 2000 jaar weinig opgeschoten.

De meeste literatuur behandelt de bestrijding van schurft, een ziekte die vooral optrad bij schapen, maar waar ook runderen, paarden en varkens last van hadden. Vergilius en Cato bevelen aan de dieren in te smeren met een mengsel van olijfolie, zwavel en zout water en ze daarna goed te wassen met zeewater. Cato geeft zelfs een recept om zeewater te maken als men daarover in het binnenland niet meteen kon beschikken.

Slangen kwamen in Italië algemeen voor. Slangenbeten bij runderen moest je volgens Cato bestrijden door een acetabulum zwarte komijn fijn te wrijven in een hemina oude wijn. Dit mengsel werd dan door de neus ingebracht en op de beet werd wat varkensmest gelegd. Dat er weinig verschil was tussen een paardendokter en een arts moge blijken uit het feit dat Cato eenzelfde behandeling aanbeval voor mensen, die door een slang gebeten waren.

De eetlust bij runderen bevorderden de Romeinen door olijfvocht over het veevoer te sprenkelen. Deze behandeling duurde een dag of vijf. Columella beval aan runderen te drenken met twee congii heet water en ze vervolgens dertig koolstengels, die zacht gekookt waren in azijn, te eten te geven.

Plantenziekten

Middeltjes tegen plantenziekten vinden we veel minder bij de Romeinse schrijvers. Maar net als bij de bestrijding van veeziekten was olijfvocht vaak een belangrijk bestanddeel. Stammen van wijngaarden smeerden de Romeinen in met een kleverig goedje dat bestond uit een mengsel van olijfvocht, bitumen en zwavel om bladrollers en mieren te bestrijden. Mieren bestreed je ook door gemalen lupinen te vermengen met most en dat rond de stammen te smeren.

Insecten werden gedood door een mengsel van water, waarin wilde komkommers waren gedrenkt, te verspuiten. Volgens Varro kwamen op die plekken dan geen insecten meer voor. In een adem beveelt Varro aan een bed in te smeren met een mengsel van ossegal en azijn. Nuttig in een land waar de malariamug in die tijd inheems was. En als je toch bezig was, schrijft Varro, en je wilde jezelf ontharen. Daarvoor had hij het volgende probate middel:

"Gooi een gele kikker in water, kook het terug tot eenderde en smeer je huid ermee in".

Meeldauw in druiven bestreed je volgens Columella het best door, wanneer er in voorjaar een mist over de wijngaard lag, hopen stro, die vooraf tussen de rijen gebracht waren, aan te steken.

Het bewaren van voedsel

De Romeinen beheersten de kunst om voedsel te bewaren en te conserveren. Vis werd ingemaakt en ze wisten verschillende plagen in graanschuren goed te bestrijden.

Om granen te bewaren, hadden de Romeinen grote graanschuren. In verschillende forten langs de muur van Hadrianus zijn daarvan de fundamenten opgegraven. Daar zijn de vloeren opgehoogd met pilaren om muizenvraat te voorkomen. De muren en de vloeren van deze graanschuren smeerde men op aanraden van Cato in met een prut van olijfvochtvocht en kaf. Als dat was ingedroogd, sloeg de soldaten het afgekoelde graan daarop in. Men eestte het graan bovendien om bederf te voorkomen.

Gedroogde vijgen bewaarde Cato in aarden vaten, die ingesmeerd waren met ingekookt olijfvocht. Ingekookt olijfvocht hielp ook tegen motten, men smeerde er klerenkisten mee in.

Bath_buste1.jpg
Bath_buste2.jpg
Bath_buste3.jpg
BM_buste1.jpg
BM_Hadrianus_Antinoos.jpg
BM_Perikles.jpg
BM_Sophocles.jpg
BM_theatermaskers.jpg
Socrates.jpg

Content © Sierd de Jong - Fotografie Margriet Stemerding - Webdesign © Bastiaan de Jong    Site Meter